Gemaakt met Berta.me

  1. Betreft: Een tijdelijke structuur van onderlinge afhankelijkheid
    Guy Bovyn (or is it GB?)


    Beste Peter Morrens,

    Men heeft mij gevraagd een tekst te schrijven over jouw solotentoonstelling in Netwerk Galerij (Aalst), En retard – On time – Over tijd (05/03 – 09/04/2005). Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ik kan jammer genoeg niet op deze vraag ingaan. Laat mij deze weigering enigszins duiden.

    Een eerste bezwaar is dat ik de tentoonstelling zelf niet heb gezien. Op zich hoeft dit geen onoverkomelijk probleem te zijn: ik heb al ander werk van jou gezien, en ik heb ook de documentatie van de tentoonstelling kunnen bekijken, en zelfs een exemplaar toegestopt gekregen van het gelijknamige boek dat is verschenen. Ik ben dan ook vanuit die beelden gaan nadenken. Een eerste vaststelling die ik daarbij heb gedaan, is dat de performance een belangrijk aandeel heeft in jouw oeuvre. De term performance, waarmee men doorgaans verwijst naar een welbepaalde artistieke daad van een kunstenaar, zeg maar een kunstvorm, moet je bij deze echter wel breder begrijpen, als een ‘concept’, en, wat mij betreft, als een analytisch instrument aan de hand waarvan jouw ganse oeuvre, of toch tenminste een aanzienlijk deel ervan, kan worden toegelicht. De vragen die ik mij dan ook stel wanneer ik jouw werk beschouw (of gaat het hier om een verzameling van werk van PM, Herman Smit en Point Blank Press?): wat doet dit werk en, meer specifiek, wat doet het de kijker aan, wat laat het de kijker doen? Fundamentele vragen wanneer het gaat om het schrijven van een tekst over een kunst als die van jou. Kenmerkend voor de performance is immers de ‘presentie’, zeg maar de ‘aanwezigheid’: een performance speelt zich af in het hier en nu, en die zijn, zoals je weet, nogal vluchtig. Een performance kan dan ook niet worden bewaard. Als een performance zich toch op een of andere manier zou laten bewaren, komt ze terecht op het terrein van de representatie en reproductie en ontkent ze haar eigen bestaan. Mijn vraag: hoe kan ik schrijven over een tentoonstelling waarbij de performance van het werk, zelfs van de hele tentoonstelling, zo belangrijk is, als ik zelf enkel maar over een representatie ervan beschik, documentatie en getuigenissen?
    Wat mij ook is opgevallen is dat de werken steeds weer in nieuwe constellaties worden gebracht. Als je een werk opnieuw toont, plaats je dat werk expliciet in een nieuwe ‘omgeving’, een (herschikte) verzameling van andere werken, aangevuld met nieuwer werk. Begrijp ik het verkeerd als jij een tentoonstelling eerder ziet als een soort van ontwerpruimte? Dit betekent wel dat de individuele werken, als ik ze zo kan omschrijven tenminste, met hun verwerking in nieuwe tentoonstellingen telkens op een andere manier ‘geplaatst’ worden en dus een nieuwe identiteit krijgen, al twijfel ik eraan of ik dit woord wel kan gebruiken binnen deze context. Dit sluit, wat mij betreft, ook aan bij de performance, in die zin dat het de kijker toch wel heel moeilijk wordt gemaakt om ‘eenzelfde’ werk meermaals te gaan bekijken. Misschien kan ik wel zeggen dat jouw werken fungeren als een soort van acteurs binnen een ruimere, zich doorheen de tijd afspelende performance. Waarmee ik niet wil gezegd hebben dat de individuele werken niet op zich zouden (kunnen) bestaan. Ik ben trouwens van mening dat de werken op zich reeds een performatief element in zich dragen, los van hun opgaan in een breder project. Hoe dan ook, de idee ‘essentie’ wordt hier onderuitgehaald; haar afstammelingen, de essenties, worden tot bastaarden benoemd. Een ode aan of aanzet tot een schizofreen kijken en denken?
    Zo wordt het voor mij natuurlijk moeilijk om mij te oriënteren in jouw werk en zogoed als onmogelijk om richting te geven aan de tekst die mij gevraagd is te schrijven (waarvan ik je reeds gezegd heb dat ik die niet kan schrijven). Maar misschien is het jou daar nu net om te doen? Neem nu die ‘tentoongestelde’ Herman Smit. Een WAARnemer, zoals je hem bestempelt. Vanwaar die hoofdletters? Het waarnemen veronderstelt een positionering en oriëntering: men neemt waar vanuit een bepaalde plaats, vanwaaruit men zich, aan de hand van referenties, naar de wereld richt, waar de waarheid ligt. De tekeningen van Herman Smit, steunend op een beproefd representatiesysteem, lijken die gedachte overigens te ondersteunen: positionering en realisme gaan hand in hand. Is het dat wat je ons duidelijk wilt maken? Maar Herman Smit is, vermoed ik, toch niet echt een persoon, of niet een echte persoon: Herman Smit de WAARnemer is een constructie, of het resultaat van een performance. Waar bevindt die Herman Smit zich dan, in welke wereld? En waar leidt die onvatbaarheid van de ‘figuur’ Smit ons heen? “Am I truthful?”, leest een van de tekstwerken van het Point Blank Press...
    Ik voel mij hier voor een keuze gesteld: Waarheid of Visie? Vervolgens voel ik mij voor een vraag gesteld: kunnen we via het systeem de waarheid benaderen? Velen onder ons denken alvast van wel. Het perspectief, bijvoorbeeld, steunt expliciet op het systeem ‘positionering’: het perspectief plaatst de kijker op een welbepaalde plaats, vanwaaruit die een (over)zicht krijgt, waarheid. En ook het kader, zelfs het meest banale exemplaar, kan binnen deze context worden aangehaald. En wel in die zin dat het een onderscheid aanbrengt, een afbakening tussen binnen en buiten, bij uitbreiding onszelf en de ander, datgene waar we toegang tot (menen te) hebben en datgene wat we (al dan niet bewust) uitstoten, buitensluiten, waartegen we ons misschien wel willen beschermen, waarover we toch op zijn minst een graad van controle willen verwerven. Kortom, de ‘uitkijk’ plaatst ons, de kijker, ‘tegenover” iets; de uitkijk bezit het potentieel om te objectiveren; het systeem, of het nu gaat om een representatie- dan wel een interpretatieschema, voor zover die al van elkaar te onderscheiden zijn, getuigt van een wil tot macht, of zoiets.
    Via de representatie/interpretatie geven wij onszelf en de ons omringende wereld een ‘plaats’. Het woordje ‘duiding’ spreekt binnen dit verband, jawel, boekdelen. Daardoor wordt er wel tegelijkertijd een begrenzing tussen subject en object geproduceerd, een ruimte, of een afstand: de representatie verdringt het gerepresenteerde, ‘voorbij’ de achtergrond. De Wereld: een plooi in een schildersdoek? Vandaar misschien al die ‘doorbraken’ in jouw werk, met als voorlopige culminatie de tentoonstelling in Netwerk Galerij ... Maar krijgen we daardoor wel iets ‘meer’ te zien? Volgens mij desoriënteer je de kijker, bewust; je haalt hem en haar de vaste grond van onder de voeten, je plaatst de kijker/lezer/verkenner in een irrationeel labyrint, met vele ingangen maar zonder uitgang, of juist vele uitgangen, wat op hetzelfde neerkomt, in een gelijktijdigheid dus. (Ik zou jouw werk dan ook, voor wat zijn werking betreft, eerder willen omschrijven als diagonaal, te plaatsen tegenover de horizontalen en verticalen van het raster dat objectiveert, rationaliseert en onder controle brengt.) Maar hoe moet ik die gelijktijdigheid koppelen aan dat andere concept dat ik frequent in jouw werk zie opduiken, het proces? Gelijktijdigheid roept immers stilstand op, terwijl proces doet denken aan beweging, en dus tijd. Het proces kan men, vanuit een bepaalde optiek, plaatsen tegenover het object, tegenover objectivering, systematisering, consolidatie (en dus inkapseling): het proces ‘ontwikkelt’ zich in de tijd, het objectieve ‘staat’ buiten de tijd. Begrijp ik je goed als ik stel dat niettegenstaande een proces beweging oproept, het hier niet zo is dat er een doel verondersteld of vooropgesteld wordt? Zo ja, dan is het proces hier ex‘ ontijdig’: het bevindt zich voortdurend in een tussen-in, sterker nog, het proces ‘bestaat’ juist in dit tussen-in, steeds te vroeg of te laat. De nadruk leggen op het proces betekent in dit geval dat de mogelijkheid om tot een definitief resultaat te komen, een objectivering, minder belangrijk is, er zelfs niet toe doet. En net zoals het ‘proces’ kan ook het concept ‘gelijktijdigheid’ in relatie worden gebracht met een negatie, in concreto een negatie van het lineaire tijdsverloop; gelijktijdigheid veronderstelt een naast-elkaar-(be)staan: nevenschikking, negatie van hi.rarchie, richtingloosheid en desoriëntatie, ontijdigheid.
    Een Standpunt, een absoluut gefundeerd standpunt, blijkt dus onmogelijk. De hoeveelheid aan werken, het ontbreken van een gemeenschappelijke logica, de diversiteit aan media en het niet-lineaire en niet-hiërarchische van de presentatie maken het voor de toeschouwer heel moeilijk, zoniet onmogelijk, om hetgeen die aangeboden krijgt, te ver-werken tot een groter betekenisvol geheel. De kijker krijgt een soort van montage te zien, of een assemblage, een conglomeraat van diverse bewegingen, ritmes en snelheden. Individuele werken werken kortstondig zelfstandig, gaan dan een relatie aan met een ander werk, of meerdere andere werken. En dat geldt voor elk individueel werk. Een soort van oersoep dus, waarin de diverse te onderscheiden beelden voortdurend in beweging zijn, muteren en variëren, complexen aangaan, die groeien en weer krimpen, verschijnen en verdwijnen. Een tentoonstelling-als-Ontwerpruimte waarin, zoniet alles, toch heel veel mogelijk is. Op die manier gaat het werk Leven. Vluchtlijnen...
    Heel concreet gesteld laat het werk zich dus voelen als zijnde anti-reprentatief. Hoe sterk het ook tot interpreteren uitnodigt, een finale, tot stilstand gekomen representatie blijkt onhaalbaar. En als we al tot een stilstand komen, dan worden wij er meteen op gewezen dat die slechts tijdelijk kan zijn. Toegegeven, er wordt gerefereerd aan de wereld, of liever, ‘een’ wereld. Misschien moeten we zeggen dat je refereert aan een ‘buiten-wereld’, een (virtuele) wereld die buiten ons bereik ligt en dus niet te vatten is, een ‘andere’, die wij misschien ook zelf zijn? De bewegingen die je ons laat voelen, zijn immers bewegingen waarin wij zelf ook opgenomen worden: verschillende tijdslijnen raken verstrengeld, jouw waarnemingen uit het verleden doorkruisen ons huidig waarnemen, herinnerde waarnemingen en nieuwe blikken verworden tot tweedimensionale transparanten die zich slechts tot een schetsmatige, of liever ‘pulserende’ visie op de werkelijkheid laten ineenpuzzelen. Het proces dat je in gang zet, is er met andere woorden een waarbij wij op eenzelfde niveau, of in dezelfde ruimte van het kunstwerk komen te staan, of worden getrokken, betrokken in het gezelschap van Herman Smit en PM. Of bedoel je misschien dat wij die ontwerpruimte nooit hebben verlaten, dat we slechts in een waan verkeerden, dat we slechts dachten dat we die Wereld achter ons konden laten, of voor ons konden plaatsen, dat we ons die Wereld konden voor-stellen? Ik denk hier nu aan een van die technieken die je zo graag gebruikt, de index. Doorgaans gebruikt men een index, in combinatie met (andere) beeldende middelen, om iets in kaart te brengen en aldus een beter begrip van ‘de omgeving’ te krijgen, een begrijpen dat traditioneel is gebaseerd op coördinaten en referentiepunten. Maar net zoals jouw uitkijkposten, waarop de kijker plaatsneemt in de hoop iets meer te zien, ook de kijker te kijk zet (‘Starring me!’), waardoor die meteen ook zichzelf in het vizier krijgt, en jouw ‘doorbraken’ naar datgene wat doorgaans buiten onze blik blijft, en dus onze blik zouden moeten verruimen, ons tegelijkertijd bewust maken van de fragmentarische hoedanigheid van die blik, wordt het productieve potentieel van de index op een dusdanige manier aangesproken dat ook die een nogal ambigu, zoniet contradictorisch statuut krijgt: waar de index, zoals die doorgaans wordt ingezet, pretendeert ‘iets’ in beeld te brengen, of een werkelijkheid te ‘reproduceren’, blijkt die, als we jou volgen tenminste, feitelijk reliëf te ‘produceren’. Stabiliteit slaat om in labiliteit. Virtualiteit die zich actualiseert? Rimpels in het voorhoofd.
    Onze representatie- en interpretatieschema’s raken ontregeld, comessenties ontmanteld, het beeld en wijzelf gedeterritorialiseerd, inwisselbaar. “The arena of fragmentation and repetition” (Point Blank Press). Maak jij het kunstwerk of maakt het kunstwerk jou tot kunstenaar? Maak ik, met mijn kijken, het kunstwerk, of maakt het kunstwerk mij tot kijker? Het leven getekend door het potlood? Het blijft oorverdovend stil aan de andere kant van de lijn... “I am what is around me” (Point Blank Press), ‘dat’ krijgen we te horen, of liever, te lezen. De kunstenaar, het kunstwerk, de kijker, en de wereld, versmolten tot een grote machine, dat zie ik in jouw werk, onderdelen die samen een tijdelijke structuur van onderlinge afhankelijkheid vormen. Bevroren toevalligheden. ‘Becoming’... Het een kan niet zonder het ander, en beide zijn in beweging, of zijn er niet. Ontrusting blijkt mijn lot, als ik jouw index tot mijn gids neem... “Sortir de l’historie, Altijd opnieuw beginnen” (Point Blank Press)? Liever niet. Mag ik blijven zitten?
    Ik denk dat je het ondertussen wel al begrepen hebt: jouw stotteren zet mij aan tot stotteren, jouw stotteren zet aan tot mijn stotteren. Mocht ik jouw werk betekenis toekennen, mocht ik datgene wat in eerste instantie werd losgekoppeld, door jou, opnieuw gaan ‘territorialiseren’, dan maak ik mijzelf tot representatie, steeds weer opnieuw. En we weten ondertussen welke status de representatie in jouw ogen bezit... Misschien is het zelfs reeds te laat, lach maar, maar als dat zo is, wel, dan vervang ik in de toekomst, want dan schrijf ik die tekst wel, het woordje ‘doorbraak’ graag door ‘inbreuk’. Nee? Hoe dan ook zou voor mijn tekst slechts een kortstondig bestaan zijn weggelegd. Ik weet nu al dat, mocht ik op de vraag ingaan en die tekst schrijven, hij in de toekomst, naar aanleiding van een nieuwe tentoonstelling, door iemand anders, waarschijnlijk door jou in eerste instantie, zoniet, dan wel door anderen, ‘auteurs’ zoals men ze noemt, zal worden herschreven, en dus gewist... Verspilde moeite. Peter Morrens, “Damn your eyes” (Point Blank Press).